.. / WWIK / Normbedragen

Normbedragen WWIK 

Twee keer per kalenderjaar wijzigen de bedragen van de Wet Werk en Inkomen Kunstenaars. Dit gebeurt per 1 januari en per 1 juli. De wijzigingen hebben niet alleen gevolgen voor de hoogte van de uitkering (bruto en netto), maar ook voor wat een kunstenaar mag bijverdienen bij WWIK.

Normbedragen per maand Wet werk en inkomen kunstenaars (inclusief 8% vakantietoeslag)
De WWIK- uitkering is een brutobedrag en is ongeveer 70% van de bijstandsnorm, en wordt netto uitbetaald. Bij het nettobedrag is de vakantie-uitkering inbegrepen. Op de uitkering wordt belasting en premie ingehouden.

Hoogte van de uitkering
(artikel 15 WWIK)
Peildatum
 per 1 januari 2010 per 1 juli 2010  
  bruto netto
 bruto
netto
alleenstaande  732,78  636,53  
 
alleenstaande ouder 1.014,75  896,34   

gehuwden & ongehuwd
samenwonenden

 1.081,90 1.026,24   

Maximale Bijverdienhoogte bij definitieve vaststelling (inclusief WWIK) (artikel 16 )
De kunstenaar mag de WWIK-uitkering met bijverdiensten aanvullen tot 125% van de voor hem geldende netto bijstandsnorm. De centrumgemeente stelt jaarlijks -aan het eind van elk kalenderjaar- vast of het gezinsinkomen in het afgelopen kalenderjaar boven de bijverdiengrens is uitgekomen.

Van de bijverdiensten mogen eerst beroepskosten worden afgetrokken tot een bedrag van € 3.408,00 per kalenderjaar.
   per 1 januari 2010 per 1 juli 2010
alleenstaande 1.525,24 
alleenstaande ouder 1.973,26 
gehuwden & ongehuwd
samenwonenden
 2.111,13 

Toetredingsgrens (artikel 8 WWIK)
De toetredingsgrens is het maximale toegestane bruto maandinkomen van de kunstenaar in de periode voor de aanvraag. Centrumgemeenten nemen meestal de 3 maanden voorafgaand aan de aanvraag als uitgangspunt.
   per 1 januari 2010per 1 juli 2010
alleenstaande 1.157,66 
alleenstaande ouder 1.443,14 
gehuwden & ongehuwd
samenwonenden
 1.520,20 

Privé -vermogen (artikel 7 WWIK)
Bij de WWIK gelden vermogensgrenzen. Het vermogen is het verschil tussen de bezittingen en de schulden van de kunstenaar.
Uitgezonderd: vermogen in de vorm van instrumenten en leningen van ouders zonder harde terugbetalingsverplichting.

Vermogensgrens (genoemd in het derde lid)
  per 1 januari 2010 per 1 juli 2010  
alleenstaande   5.480,00  
alleenstaande ouder 10.960,00  
gehuwden & ongehuwd
samenwonenden
 10.960,00  


Voor vermogen in de eigen woning geldt een ruimere vrijlating.
- in de woning maximaal toegestane vermogen (voor huisbezitters) (tweede lid):

per januari 2010                               46.200,00


Bijzonder inkomen
(artikel 6 WWIK)
Wanneer de kunstenaar van de WWIK gebruik maakt en (of de partner) studiefinanciering ontvangt, wordt door de gemeente een normbedrag als inkomen gerekend. De gemeente gaat er vanuit dat hij een voor hem geldend 'normbedrag voor levensonderhoud' ontvangt. Ook al ontvangt de kunstenaar in werkelijkheid een lagere toelage of heeft hij een volledige lening, wordt dit bedrag toch als basisinkomen genomen. Een nadeel is dat de kunstenaar minder kan bijverdienen. Het is daarom soms beter om de WWIK in een nieuw kalenderjaar te beginnen en niet per september na afloop van een studiejaar.

Normbedrag voor inkomen uit studiefinanciering

  per januari 2010
  
thuiswonende studenten
  10,23  
uitwonende studenten
  557,27  


Het recht op studiefinanciering wordt gezien als een 'voorliggende voorziening' en moet in principe eerst volledig benut worden, voordat van de WWIK gebruik gemaakt kan worden.


Bronnen: © 2010 Handboek StimulanSZ, KennisRing, Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid